Afspraak maken? Bel 020-3376745

Liesblessure

De typische liesblessure is vooral een vervelende, hardnekkige blessure. Als sporter krijg je een liesblessure meestal door overbelasting. In een minderheid van de gevallen staat een relatief klein ongeval met de liesspieren aan het begin van deze voortslepende blessure. De pijnklachten zitten aan de binnen- onderzijde van het schaambeen, daar waar de spieren van de binnenzijde van het bovenbeen vastzitten. In het begin is er vaak alleen maar stijfheid op de ochtend ná een zware training of wedstrijd en wat pijn bij druk op het schaambeen. Later treedt pijn op na elke sportbelasting. Meestal volgt dan een periode met pijn bij het begin van het sporten en na het sporten. Vervolgens is de pijn eigenlijk constant aanwezig bij het sporten. Dan volgt ook duidelijk prestatievermindering. Tenslotte is er continu pijn en is sporten eigenlijk niet meer mogelijk. Je kan dus in een stadium zijn van minder tot veel meer klachten.

Als je een liesblessure hebt, is het verstandig om een sportarts te raadplegen, zeker als de klachten langer dan zes weken bestaan. Het is namelijk van belang dat gekeken wordt of er aanwijzingen zijn dat er iets anders de oorzaak van de pijnklachten is. Er moet dus een diagnose worden gesteld en/of er moet een oorzaak worden achterhaald. De sportarts zal kijken of er aandoeningen zijn van het heupgewricht (bij vermoeden hierop wordt een röntgenfoto gemaakt). Verder kijkt hij naar de lage rug en de SI-gewrichten. Ook wordt onderzocht of de buikspieren ook een peesontsteking vertonen (dat wordt vaak in combinatie met een liesblessure gezien). Er wordt ook gekeken of er geen liesbreuk is. Verder worden andere, zeldzamere aandoeningen uitgesloten. Pas als dit onderzoek is afgerond, kan de sportarts zeggen dat het om een “typische liesblessure” gaat.

Veel sporters die bij ons komen, hebben al langdurig fysiotherapie gehad, vaak met geen of weinig succes. In de fysiotherapie helpt eigenlijk alleen excentrische krachttraining. Hoewel dit lang niet bij iedereen succesvol is, kan het wel zinvol zijn om hiermee te beginnen. Verder is het natuurlijk van belang de sportbelasting te verminderen en de belastbaarheid te verhogen. De sportarts zal daar na zijn onderzoek adviezen over geven. Als er in het dagelijks leven activiteiten zijn waarbij klachten van de lies optreden, dan moet ook deze belasting worden verminderd. Verder dient de sportbelasting te worden aangepast. Bij het aanpassen van de sportbelasting is een belangrijke stelregel dat niet door de pijn heengegaan mag worden. Wanneer bijvoorbeeld hardlopen nog pijnlijk is, dient de sporter het advies te krijgen alleen alternatief te trainen. Fietsen, fitnesstraining en steppen (‘lopen’ op een soort ‘trapmachine’) zijn mogelijke alternatieven. Op geleide van het verminderen van de ochtendstijfheid, kan op een gegeven moment de looptraining weer voorzichtig hervat worden, te beginnen met meerdere keren enkele minuten hardlopen. Hierbij wordt het criterium gehanteerd dat onder het uitbreiden van de sportbelasting, er toch een teruggang in pijn dient te zijn. Is dat het geval, dan kan het aantal minuten van de duurloop geleidelijk verhoogd worden. Met het aanhouden van dit principe kan de belasting vervolgens geleidelijk worden uitgebreid. Als de duurconditie weer goed is opgebouwd, kan de training bij bijvoorbeeld een voetballer uitgebreid worden met achtereenvolgens:

  • tempo-intervaltraining
  • versnellingsloopjes tot 80% van zijn maximale snelheid
  • sprintjes vanuit een korte aanloop
  • sprintjes vanuit stand (staande start)
  • ‘kappen en draaien’ zonder bal
  • ‘kappen en draaien’ met bal (maar nog zonder tegenstander).
  • ‘ kappen en draaien’ met bal en met tegenstander en ‘schieten’ op het doel. Pas als dat goed gaat, kan men weer deelnemen aan een oefenpartijtje en pas daarna weer aan ‘echte’ wedstrijden.

Om de belastbaarheid te verhogen kunnen de volgende adviezen gegeven worden:

  • Voer dagelijks meerdere keren rekoefeningen uit voor de adductoren en de iliopsoas. Bij het uitvoeren van de rekoefeningen mag geen pijn gevoeld worden. Er zijn verschillende rekoefeningen voor de adductoren:


1Lange adductoren rekking:
Stand met een been gestrekt naar buiten en de ander gebogen in de knie. Beide voeten naar voren gericht houden. Zet je hand op de heup als in de tekening. Buig verder door het been en druk de heup naar binnen. Probeer de eindstand  te bereiken. Probeer in de uitademing verder te komen. (Let op: niet veren.)

 

 

 

 

 

 

2Korte adductoren rekking:
Zit op de grond met de voetzolen tegen elkaar. Romp rechtop houden of iets naar voren. Beide ellebogen op de knieën zetten. Langzaam beide benen naar buiten-beneden drukken tot eindstand is bereikt. Deze stand 1 minuut vasthouden. In uitademing proberen rustig verder te komen. (let op: niet veren)

 

 

 

 

 

 

3Iliopsoas rekking:
De belangrijkste oefening In schutterstand (zie tekening). Knie op de grond, romp rechtop houden. Laat heup zakken naar vooruitstaande voet. Deze stand 1 minuut vasthouden. Probeer in de uitademing iets verder te zakken. Eventueel een stoel erbij zetten om steun te hebben. (Let op: niet veren)

 

 

 

 

 

 

  • Voer dagelijks spierversterkende oefeningen uit
    Wacht met het dagelijks uitvoeren van spierversterkende oefeningen voor adductoren, buik- en bekkenstabiliserende spieren tot dit weinig pijn- en stijfheidklachten meer geeft. Naar verwachting zal dit vrij snel mogelijk zijn. Hierbij is vooral excentrische krachttraining aangewezen. Hiervoor kan begeleiding door een (sport)fysiotherapeut zinvol zijn.
  • Voer dagelijks ijsmassage uit
    Deze ijsmassage kan uitgevoerd worden door 15 minuten met een smeltend ijsklontje de pijnlijke plek van de aanhechting van de adductoren te masseren.

Als al deze maatregelen niet tot verdwijnen van de blessure leiden, dan is manuele therapie volgens de methode Van den Akker een goede volgende stap. Binnen het SportMedisch AdviesCentrum Hoorn is expertise aanwezig om deze methode goed uit te voeren. De sportarts Erik van de Sande heeft met Van den Akker intensief samengewerkt bij de KNVB. In die tijd en daarna heeft Erik van de Sande duizenden liesblessures behandeld. Naar deze behandeling hebben de sportartsen van SMA Hoorn wetenschappelijk onderzoek gedaan. Hierin werd aangetoond dat de behandeling in ruim 80% van de gevallen effectief is. Tevens is aangetoond dat de behandeling minstens even effectief is als excentrische krachttraining. De manuele behandeling leidt echter veel sneller tot resultaat. Meestal is de sportman 12 weken sneller hersteld. De behandeling is zo effectief dat er zelfs een wetenschappelijk proefschrift over is geschreven door sportarts Adam Weir. Alle resultaten staan later vermeld.

De behandeling van de liesblessure bij SMA Hoorn

Als de sporter een afspraak heeft gemaakt bij SMA Hoorn voor behandeling van de liesblessure, komt hij op het spreekuur bij sportarts Erik van de Sande. Tijdens het consult/behandeling wordt eerst gekeken naar de oorzaak van de blessure, er wordt zo nodig verder onderzoek verricht (soms een röntgenfoto), als dat nog niet is gebeurd. In de meeste gevallen is de diagnose een typische liesblessure. Tijdens hetzelfde consult wordt dan de behandeling gedaan. Hierbij wordt de lies is voorverwarmd met een paraffinepakking. Dan volgt de eigenlijke behandeling, die meestal pijnlijk is. Essentieel is dat binnen twee uur na de behandeling met een aangepast trainingsprogramma wordt begonnen. Als dit goed wordt uitgevoerd, dan heeft de sporter een hoge kans (83%) dat hij of zij na één behandeling (en de oefentherapie daarna) van de liesklachten af is.

Een advies dat wij bijna nooit geven is: houden van rust. Slechts bij een fractuur (botbreuk) is dat noodzakelijk. Blijven oefenen en rekken is altijd beter, zij het aangepast.

Het SMA Hoorn is gevestigd in het Westfriesgasthuis in Hoorn. Het is goed bereikbaar per openbaar vervoer (vlak achter het station Hoorn) en per auto (parkeergarage). Een afspraak kan gemaakt worden op telefoonnummer 0229-243893.

 

Literatuur:

(5 Augustus 2008)

A manual therapy technique for chronic adductor-related groin pain in athletes: a case series

A. Weir1,, S. A. S. Veger2, H. B. A. Van de Sande3. erikvandesande@gmail.com, E. W. P. Bakker4, S. de Jonge5, J. L. Tol1

1Sports Medicine Department, The Hague Medical Centre, Antoniushove Hospital, Leidschendam, The Netherlands, 2Sports Medical Advice Centre, Flevoland and Oost, The Netherlands, 3Westfries Hospital, Hoorn, The Netherlands, 4Department of Clinical Epidemiology, Biostatistics, and Bioinformatics, Academic Medical Centre, Amsterdam, The Netherlands, 5University of Leiden,

Leiden, The Netherlands

Abstract

The objective was to retrospectively examine whether a manual therapy technique is effective in the treatment of chronic adductor-related groin pain in athletes. Thirty-three athletes with chronic adductor-related groin pain were approached. Thirty patients gave their consent to participate

in the study. Patient satisfaction, return to activity and numeric pain score were recorded. Patients were treated after prewarming of the muscles; one hand is used to control the tension in the adductor muscles and the other hand is used to move the hip into abduction and external rotation. This flowing, circular motion stretches the adductor muscle group. The movement is repeated three times in one treatment session. Twenty-five out of 30 (83%) athletes reported a good or excellent satisfaction. Twenty-seven out of 30 (90%) athletes had resumed sport at (15/30) or below (12/30) their previous level of activity. The pain score for during or after activity decreased significantly from 8.7 to 2.2 after the treatment (Po0.01). This study shows that the manual therapy treatment might be a promising treatment for chronic adductor-related groin pain in athletes.

 

Manual or exercise therapy for long-standing adductor related groin pain: a randomised controlled clinical trial.

A Weir MBBS,The Hague Medical Centre: Antoniushove hospital, department of sports medicine. Leidschendam, The Netherlands and University Medical Center; department Rehabilitation and Sports Medicine, Utrecht, the Netherlands. JACG Jansen MSC, Department of Rehabilitation and Sports MedicineUniversity Medical Center Utrecht Utrecht, the Netherlands. J.A.C.Jansen-4@umcutrecht.nl IGL van de Port. PhD. Department of Rehabilitation and Sports Medicine. University Medical Center Utrecht. The Netherlands. HBA Van de Sande. MD. Westfries Hospital, Hoorn, The Netherlands. erikvandesande@gmail.com JL Tol. The Hague Medical Center: Antoniushove hospital, department of sports medicine. Leidschendam, The Netherlands. FJG Backx MD PhD. Department of Rehabilitation and Sports Medicine. University Medical Center Utrecht. The Netherlands. fbackx@umcutrecht.nl

 

Abstract

Hypothesis: Manual therapy (MT) is more effective than exercise therapy (ET) for the treatment of long-standing adductor-related groin pain.

Study design: Single blinded, prospective, randomised controlled trial.

Methods:

Patients: Athletes with pain at the proximal insertion of the adductor muscles on palpation and resisted adduction for at least two months.

Interventions: ET: a home based ET and a structured return to running program with instruction on three occasions from a sports physical therapist. MT: Van den Akker MT followed by a return to running program.

Primary outcome: time to return to full sports participation. Secondary outcome measures: objective outcome score and the visual analogue pain score during sports activities. Outcome was assessed at 0, 6 and 16 weeks

Results: Athletes who received MT returned to sports quicker (p=0.043) (12.8 weeks(SD 6.0), p=0.043) than athletes in the ET group (17.3 weeks (SD 4.4)). Only 50-55% of athletes in both groups made a full return to sports. There was no difference between the groups in objective outcome (p=0.72) or VAS during sports (p=0.12).

Conclusions:This single blinded randomised controlled clinical trial showed that manual therapy using the Van den Akker method was safe and as effective treatment for athletes with long-standing adductor-related groin pain as an exercise therapy program. After 4 months both groups showed significant decrease of VAS pain scores during sport. The athletes in the MT group who made a full return to sports did so in 12.7 weeks which was significantly quicker than those who performed exercise therapy (17.3, p=0.043). Further studies should evaluate if a combination of treatments would improve effectiveness and reduce the time to return to sporting activities.

 

Weir, Adam: Diagnostic and treatment of adductor-related groin pain in athletes – new insights. Proefschrift Universiteit Utrecht, ISBN 978-90-5472-161-1.

Advice for practice: the use of active physical training (eccentric training programme, taking around five months) should be regarded as the first line treatment for athletes with adductor-related groin pain. In cases where athletes motivation for training is lacking, active training is not successful or a quick return to sport is paramount then the MMT programme (heat, Van den Akker manual therapy and stretching) can be advised if available.